Samenvattingen

Hoofdstuk 4

In een programma kan je met getallen werken. Hiervoor gebruik je "int" voor gehele getallen en "double" voor getallen met decimalen. Het is handig om belangrijke getallen een naam te geven, een zogeheten variabele. Het volgende stukje code is een berekening:

public void init( ) {
	
	a = 1234567;
	b = 7654321;
	totaal = a + b;
	
}

Hiermee bereken je wat a + b samen zijn. De variabele "totaal" zal dus de waarde 8888888 hebben. Int en double zijn assignments met een waarde van een primitief type. Hierbij gebruik je nooit het woord "new". Van int kan je een string maken door het zonder aanhalingstekens als argument te gebruiken, bijvoorbeeld zo: g.drawString("" + totaal, 100, 20); Dit zal als resultaat dus 8888888 op het scherm tonen. Door plustekens te gebruiken kan je een string uit meerdere elementen opbouwen.

Rekenen met Java gaat anders dan normaal, zo kan je met int altijd alleen hele getallen krijgen. Met de operatoren +=, -=, *= en /= kun je de waarden van variabelen updaten. Een veelgebruikte operator is ++, welke 1 optelt bij de waarde van een variabele en dus eigenlijk += 1 doet.

Als je een int met een int vermenigvuldigt, krijg je altijd een int. Als de uitkomstvariabele double is, krijg je alsnog een geheel getal. Dit kun je oplossen door een int-variabele met 1.0 te vermenigvuldigen, bijvoorbeeld zo:

int a, b;
double uitkomstVanDeling;
// ...
a = 10;
b = 20;
// ...
uitkomstVanDeling = 1.0 * a / b;"