Samenvattingen
Hoofdstuk 1
Java bestaat uit Engelse woorden die je kan aanvullen met Nederlandse. Je schrijft het in een editor (broncode), waarna een compiler de instructies omzet naar machinetaal (doelcode). Java werkt met "classes" uit een grote "class library". Dit zijn vooraf gedefinieerde (delen van) opdrachten die je kunt gebruiken in je applets. Belangrijk om te weten is dat Java case-sensitive is!
Je begint bij Java altijd door pakketten te importeren met de opdracht "import". Daarna maak je een klasse, die je definieert door "public class *naam* extends *klasse*". Een tekst tussen aanhalingstekens "" heet een string.
De body van een klasse, een zogenoemde "method", staat tussen accolades {}. Een methode is een stel bij elkaar horende opdrachten. Opdrachten, ofwel "statements", sluit je in Java altijd af met een puntkomma ;. Als je applet is vertaald, staat de vertaling in een apart bestand met de extensie "class". Op een webpagina kan je de applet zichtbaar maken door ernaar te verwijzen.